Tijdens het eten worden de beste ideeën geboren bij RIKEN. Misschien niet de beste wetenschappelijke ideeën, maar toch. En dus gingen we paintballen. Van de 20 mensen die “meegingen” waren er uiteindelijk maar vijf overgebleven, maar we hebben niettemin heel veel collega-afknal-lol gehad. Dat, en het feit dat Hasegawa-san mee was en dat hij van alles weet te vinden in de omgeving, zorgde voor een van de meest exotische, ongewone en absurde dagen van mijn Japan-avontuur tot nu toe.
Het geval wil dat paintballen niet bekend is in Japan. Als in helemaal niet. Je kunt het in het hele land op 6 plaatsen doen; da’s een dichtheid van ongeveer 1 paintballplek op 20.000.000 mensen! Dat bleek ook uit hetgeen we aantroffen op de afgesproken plaats. Hasegawa-san had het veld voor de hele dag gereserveerd, inclusief een berg munitie (bijkopen was trouwens best wel goedkoop in vergelijking met de prijzen in Nederland!).
Op een veld onder de rook van Mt. Fuji (letterlijk, als ie tenminste nog zou roken; verder was het in the middle of nowhere, voorzover dan kan in Japan) werden we na twee uur treinen en een taxirit opgewacht door drie mannen van in de 30/40. Het waren duidelijk hobbyisten, die het misschien wel meer voor de lol en het onder de aandacht brengen van hun hobby deden dan voor het geld. De nabijgelegen militaire bases zorgden voor een extra dramatisch slagveld door zo nu en dan een legerhelikopter over te laten vliegen.
Snel kleertjes aan en een wapen rapen. De regels waren erg minimalistisch: word jij of je wapen direct getroffen, dan ben je dood. Breng je de “vlag” in het midden van het veld (een rode lap die op half zeven uit een pylon hing) naar de kant van de tegenstander dan heb je gewonnen; dit gaat uiteraard extra makkelijk als alle tegenstanders dood zijn. Dat vlag-element was een beetje onzinnig, want het is de hele dag niet gelukt dat ding naar de overkant te brengen zonder eerst iedereen af te knallen. Gaan rennen met die vlag in je handen was een soort alternatieve zelfmoord; en ik zie niet hoe dit met meer teamleden anders zou zijn. Van die vlag bleven we dus meestal maar af…
Met het kleine aantal mensen dat we hadden meegebracht was het erg leuk spelen, alhoewel rambo-acties je team automatisch zouden doen verliezen en niemand dus volledig werd ingepeperd omdat z’n gewaagde actie grandioos mislukte. Mislukte acties waren er overigens alsnog genoeg, zoals Charles die toen ik riep dat ik Jessica had geraakt opstond om te gaan kijken dat met de “dood” moest bekopen omdat Eivind er nog wel was. De meeste “kills” waren overigens van grote afstand en deden nauwelijks pijn, alhoewel ik een nietsvermoedende Jessica een paar flinke blauwe plekken heb bezorgd toen ik toen zij haar munitie aan het sparen was en niet oplette om haar muurtje heenliep en d’r een heleboel verfbolletjes in haar been schoot. Zie de foto!
Zoals ik al zei, we hadden het veld de hele dag, en na een uur of vijf wordt dat oorlogvoeren toch een beetje vermoeiend. De arme Hasegawa-san moest halverwege de strijd al staken omdat ie door z’n enkel was gegaan, en hij kon daardoor ook niet meedoen met het volgende onderdeel, een bezoek aan de plaatselijke onsen (heel heet Japans bad, vaak uit natuurlijke bron). Daar werden we overigens gratis afgezet met het busje van de paintballmannen, kom daar maar eens om in Nederland…
Hasegawa-san had nog een heleboel filmopnamen van het paintballen gemaakt, maar die was er vandaag niet vanwege z’n enkel, dus die filmpjes hou je tegoed…
Onsen
Bij de retreat van RIKEN had ik al eens een Japans bad genomen, maar ik had het dus nog nooit in een echt openbaar bad gedaan. De Japanse badhuizen zijn toch altijd een beetje intimiderend voor buitenlanders (bijvoorbeeld omdat alles echt alléén maar in het Japans kan, of zelfs omdat buitenlanders geweigerd worden!), dus de meeste toeristen slaan het badderen over. En dat is jammer, want het is echt heel leuk.
Je betaalt een minimaal bedrag (naar Nederlandse begrippen is dit een kuuroord, en dat zou meer kosten dan de vier euro die ik nu kwijt was…), stopt al je kleren in een kluisje, neemt eventueel een minuscuul handdoekje mee en gaat naar binnen. Daar neem je plaats op een krukje dat voor een kraan/douche staat en je wast jezelf. Dat betekent in Japan: je wast jezelf zó goed dat er in de verste verte geen vuiltje mee op je lichaam te bekennen is, en dan was je je nog een keer voor de zekerheid. Dán pas mag je het water in. En dat is heet. Best wel heel heet. Het handdoekje, als je dat had, leg je op je hoofd. Dat helpt zogenaamd tegen flauwvallen, maar veel van de jongere/preutsere onsengangers gebruiken het om tactisch hun edele delen te bedekken als ze aan de wandel gaan. Gelukkig kun je je bij de eerder genoemde kraantjes af en toe afkoelen met koud water. Al met al is het een heel leuke, ontspannende, reinigende en vooral Japanse ervaring.
Onsen heb je overigens in alle soorten en maten, en dit was er een van. Deze was tegen een heuvel gebouwd die tegenover Fuji staat, en vanuit het bad heb je een prachtig uitzicht op Fuji en Gotenba, een stad die tussen de onsen en de berg in ligt. Onsen zijn in Japan een sociaal gebeuren. Je neemt het hele gezin mee, of gaat met vrienden, mensen van je werk of zakenrelaties. Maar het blijft moeilijk om aan buitenstaanders uit te leggen wat zo leuk/goed/ontspannend is aan onsen. Dat werd nog eens bevestigd toen twee van de dapperdere Japanners ons aanspraken en vroegen waar we vandaan kwamen. Westerlingen zie je niet zoveel in de onsen; zeg maar helemaal niet. Grote ogen toen bleek dat ik wat Japans kon spreken met ze. Nog meer van dat toen bleek dat we geen toeristen waren maar hier werkten. Waar we vandaan kwamen, wat we voor werk deden, waar we woonden, wat we van de onsen vonden, het één was nog interessanter dan het ander. Grappig om als “toerist” zelf een bezienswaardigheid te zijn… Zelf hadden ze tussen de drie en vier uur gereisd om hier naartoe te komen, wij waren “toevallig in de buurt” (hoewel ik vermoed dat Hasegawa-san stiekem van tevoren wel had gehoopt dat we mee zouden willen naar de onsen, écht spontaan en toevallig handelen is aan de Japanners namelijk niet besteed). Het blijft een absurd land…
Eten
Na het bad was het terug naar Yokohama en we namen afscheid van Jessica en Hasegawa-san, want zij wonen in een andere wijk. We hadden plannen om met Eivind, Charles, ik en Charles’ vriendin, Namiko, te gaan eten, maar Eivind had hoofdpijn (te veel head shots gekopt denk ik
), en zo belandde ik met Charles plus vriendin in El Busque, een Boliviaans/Okinawa-aans (juist… had ik al gezegd dat het een licht absurde dag was?) restaurant waar Charles goede ervaringen mee had. De entourage was op zijn minst apart te noemen. Een restaurant met schilderijen in plastic lijsten (lees: muurlchilderingen met kabelgoot eromheen), en wat ze van het “inlijstmateriaal” over hadden was eromheen op de muur gedrapeerd (weggooien is zonde… ofzo). Twee grote TV’s aan de muur met Zuid-Amerikaanse muziek plus beeld (sfeervol… zingende dikke mannen). ’s Avonds mogelijkheid tot karaoke (whaha)! Dat hebben we maar niet gedaan. En op de wc een poster die in een garage niet zou misstaan, maar wel in een restauranttoilet: een Japanse bikinimevrouw die je glimlachend een lekker Kirin-biertje aanbiedt.
Maar dan het eten. Geen van de gerechten kwam me bekend voor. Gelukkig staan in Japan op bijna elke menukaart foto’s van de gerechten die redelijk overeenkomen met wat je uiteindelijk krijgt. Dus we bestelden iets en er kwamen allerlei gerechten op tafel. Het is zo fijn om in een land te wonen waar het in een restaurant volkomen geoorloofd is om een hele berg gerechten en gerechtjes te bestellen en ze vervolgens te delen met de hele tafel in plaats van ze voor jezelf te houden. Over het uiterlijk van het Boliviaans-Japanse eten… om een film te citeren: “Japanese food is like the army: don’t ask, don’t tell.” De film heeft voor de verandering gelijk, dat is namelijk inderdaad wat ik hier heb geleerd in de afgelopen maanden. Het vreemde eten hier is voor het ongeoefende oog niet te identificeren als iets eetbaars; je dient het gewoon in je mond te stoppen en dan komt het meestal wel goed. Tot nu toe ben ik met de gek uitziende gerechten vaak bezorgd geweest, maar nooit teleurgesteld. Zo heb ik vandaag kaasdinges gegeten die niet naar kaas smaakte maar naar Japanse dinges, banaandinges die niet naar banaan smaakte maar er wel zo uitzag, ongepopte popcorn die naar popcorn smaakte, en zo nog wat dingen. Nee, geen cavia’s…
Al met al dus een prima dag vol lokale avonturen die ik zonder de fijne mensen bij RIKEN allemaal had moeten missen. Dáárom kom ik naar een ver land voor m’n stage! I’m not a tourist, I live here!