De Russen hadden de metrostations als “paleizen van het volk”. Van de glorie van de meeste zal alleen wel weinig meer over zijn. Nederland had het Paleis op de Dam in gebruik als stadhuis, maar is er sindsdien niet echt meer in geslaagd een mooi gebouw voor algemeen gebruik neer te zetten. En voor het paleis in kwestie moet je inmiddels betalen (terwijl het van ons allemaal is, want we betalen belasting!)… Maar waar de Russen hun gemeenschappelijke ruimtes laten vervallen en de Nederlanders ze kapotreguleren, kunnen de Japanners hun schaarse grond uitstekend delen, zelfs in een stad met tien miljoen mensen.
Vandaag was ik op een plaats die dat deelgedrag prachtig illustreert: Ueno park. Ueno park is een bijzondere plek. Het ligt op de plaats waar honderdvijftig jaar geleden een overmacht van keizerlijke troepen de laatste tweeduizend trouwe samurai van shogun Tokugawa verpletterde. Weinig herinnert thans aan die bloedige dagen, behalve als je weet waar je moet zoeken. Het aparte beeld van een krijger met een hond is bijvoorbeeld van Saigo Takamori, een invloedrijke samurai uit die tijd die geloof ik bij die slag betrokken was.
Ook tegenwoordig is het park niet zomaar een park. Behalve de vele heiligdommen die het park rijk is (waarvan eentje, je verzint het niet, gewijd is aan Tokugawa Ieyasu, een voorvader van de man wiens leger op die plek werd weggevaagd) en de gewone functie als “park” vervult het nog een aantal speciale rollen. Allereerst is het een uitstekende plek om kersenbloesems te kijken aan het begin van de lente. Naar verluidt kun je er dan over de hoofden lopen, dus ik vraag me een beetje af wat er dan zo leuk aan is – of zou het net zoiets zijn als Koninginnedag? Ik zag in ieder geval nu al waarom het er over een maand of twee, drie zo mooi zal zijn. De brede weg met aan weerszijden overhangende kersenbloesembomen zorgen zelfs zonder bloesems al voor een mooi doorkijkje. Groen aanleggen kunnen ze hier wel… Verder ligt in het park een dierentuin (!), en in de dierentuin staat een oude pagode (daar kon ik dus niet naartoe zonder de dierentuin in te gaan, en daar had ik geen zin in in de regen. De dierentuin staat overigens bekend om zijn panda’s, maar toevallig las ik vanmiddag dat de laatste panda die ze hadden vorig jaar is doodgegaan…)
En dan is er nog de rol die het park ’s nachts vervult. Misschien kwam het omdat ik het van tevoren wist, maar al na m’n eerste meters in het park voelde ik dat ik in de gaten gehouden werd. Sommige mensen die er rondliepen lopen er misschien ogenschijnlijk de hele dag de boel in de gaten te houden. Ze wonen er: ’s nachts verandert het park in een groot daklozenbivak. Het park is dus écht van iedereen. Overdag zijn alle slaapspullen (min of meer) netjes uit het zicht opgeborgen, maar ’s avonds komen de blauwe zeilen en de kartonnen dozen te voorschijn. Met alle gevolgen van dien natuurlijk: het park geniet niet bepaald de reputatie van een veilige slaapplaats doordat soms wat mensen hun onenigheid met de wereld afreageren op de eerste dakloze die in het vizier komt. En kennelijk hebben de daklozen ondanks hun berooidheid meer dan genoeg te eten, want tijdens mijn korte wandeling door het park kwamen een handvol redelijk tamme zwerfkatten en een dozijn al net zo tamme vliegende ratten vrolijk kennis met me maken.
National Museum
Maar hoe interessant het park ook mag zijn, ik kwam voor wat er in het park staat: het National Museum. Het “Rijksmuseum van Tokyo” bestaat uit een aantal gebouwen, en voor een miezerige 400 yen mocht ik bij allemaal naar binnen (okee, ik moest wel met m’n Nederlandstalige VU-pasje naar de kaartjesscheurder zwaaien, zonder dat zou me tweehonderd yen extra zijn afgetroggeld, dus om het geld hoef je het sowieso niet te laten). Voor elk gebouw een speciaal paraplu-opbergsysteem met slotjes, en in elk gebouw gratis kluisjes om je spullen in op te bergen. Netjes geregeld. Minder netjes waren de Japanners zelf, zo leek het in eerste instantie: men trok onbeschaamd de fototoestellen te voorschijn en ging zo de voorwerpen staan fotograferen. Maar Japan zou Japan niet zijn als daar niet een mij onbekende ongeschreven regel voor bestond: je mag in het museum alles fotograferen, tenzij erbij staat dat het niet mag.
Qua collectie is het National Museum een beetje het British Museum van Japan. En dat treft, wat ik vond het British Museum errug leuk (en daarnaast goed te betalen
). Vooral oudheden dus, van heel lang geleden (prehistorie) tot vrij recent (vroege twintigste eeuw) passeerde zo’n beetje de hele geschiedenis van Japan aan de hand van allerlei voorwerpen, kledingstukken en (Boeddha)beeldende kunst de revue. Ook was er een enigszins verscholen gebouw waarover ik in de reisgids had gelezen: de keizer heeft ooit 300 schatten van een armlastige tempel gekocht zodat die tempel kon worden opgeknapt, en die voorwerpen worden tentoongesteld in het gebouw dat je alleen vindt als je weet dat het er is. En tja, dat heb je als je van een Boeddhistische tempel de boedel opkoopt: ook in dit gebouw veel Boeddhabeelden… Overigens wel uitzonderlijk netjes uitgestald op ordelijk binnen een rechthoekig gebied geplaatste zuiltjes.
Dan was er nog een gebouw met voorwerpen uit de rest van Azië, maar na de uitgebreide Japan-collecties deden die een beetje aan als een verzameling met “oh ja, we hadden dit ook nog, hmmm, dat zetten we maar in dit gebouw”. Overigens vonden ze Irak en Iran ook Aziatisch genoeg om in dit gebouw te mogen staan, en uit elk land hadden ze wel een Boeddhabelichaming vandaan weten te halen. Hmmm.
Tenslotte waren er nog twee tentoonstellingen waarvoor je een apart kaartje moest kopen (dat minstens even duur was als dat voor de rest van het museum). Dat heb ik maar niet gedaan en dat bleek maar goed ook: na vier gebouwen afgestruind te hebben had ik het wel even gehad. Van oudheden kijken krijg ik niet snel genoeg, maar ik kon na vier uur museumplezier geen Boeddha meer zien…
February 1st, 2009 at 0:19
hebben ze geen buddha waar je in kunt?
February 1st, 2009 at 20:49
awww, you found the inari jinja!!!