Japan is een wondere wereld. Het is (en blijft) een cliché, maar het is wonderlijk om te zien hoe één volk hypermoderne snufjes combineert met een hypertraditionele instelling zonder er zelf van op te kijken hoe bijzonder dat is. Zaterdag zat ik in een onbemande, automatische trein (leuk hoe Bart net zo z’n ogen uitkeek als ik toen ik voor het eerst in de Yurikamome zat), en gisteren was ik op een plek waar het iemand honderden jaren geleden een goed idee leek om enorme tempelcomplexen uit de grond te stampen. Aldus geschiedde, en het resultaat heet Nikko. Inderdaad, als ware het om het punt in mijn eerste zin kracht bij te zetten is dat ook de naam van een fabrikant van radiografische autootjes e.d. Maar dat terzijde.
Nikko is een stadje op 3 uur treinen (!) van Yokohama. Het stadje zelf stelt niets voor, maar het wordt dagelijks bezocht door honderden, zo niet duizenden toeristen, veelal uit eigen land. Nikko heeft namelijk enkele van de beroemdste en indrukwekkendste tempels van het land, ja, van de wereld: het staat op de Werelderfgoedlijst, en niet voor niets. Ik mag dan misschien inmiddels een beetje overvoerd zijn met Japanse tempels, Nikko vond ik nog steeds erg mooi. In het oude Nikko staan twee Shintoheiligdommen en een boeddhistische tempel, en stuk voor stuk …
… is alles groots van opzet: niet één gebouwtje, maar een hele verzameling gebouwen die er stuk voor stuk mogen zijn. Zeker voor iets uit de 17e eeuw, toen een gebouw met vijf verdiepingen al een wolkenkrabber was, is het zeer indrukwekkend. Maar wat vaak gebeurt als je iets groots opzet is hier juist niet gebeurd: ook het detailwerk is van adembenemende kwaliteit. Van veel (grote!) gebouwen zijn zoveel mogelijk hoekjes en gaatjes opgevuld met houtsnijwerk met minuscule details.
Het beroemdste houtsnijwerk zou je overigens gemakkelijk voorbij lopen als het niet aan de drommen fotograferende Japanners lag. Zo bevindt zich boven een deuropening een afbeelding van een slapende kat – wereldberoemd in heel Japan – die vooral opvalt door de horde amateurfotografen eromheen. Hetzelfde geldt voor de beroemde “horen, zien en zwijgen”-aapjes op het enige gebouw zonder redelijk verse verf. Automatisch loop je dat gebouw dan bijna voorbij, maar als je toch kijkt zie je ineens de aapjes waar de reisgids het over had. Overigens was die kat en het achterliggende graf van een oude Tokugawa-shogun het enige waarvoor we bovenop ons treinkaartje c.q. passe-partout moesten betalen. Waarom het een whopping 520 yen p.p. kostte om die poes en het graf te zien is me nog steeds niet helemaal duidelijk, maar je moet er een keer geweest zijn…
In de enige boeddhistische tempel van de drie hoorden we op een gong geslagen worden en nieuwsgierig gingen we even binnen kijken. Aldaar zaten een stuk of 8 Japanners in kniezit voor een ouwe die kennelijk iets aan het vertellen was, dus wij gingen erbij zitten. Ongeveer elke zin van het oude baasje eindigde in een rhetorisch ne (“toch?”), dus kennelijk was het heel vanzelfsprekend wat hij vertelde. Hij had er erg veel zin in, want het ging zowat een kwartier door en hij trok allerlei artikelen te voorschijn, waaronder een gouden pijl waarover ie uiteraard ook van alles te vertellen had. Eerlijkheid gebiedt te zeggen dat het eigenlijk een goudkleurige pijl was, want toen ik naar rechts keek zag ik een heel rijtje staan in de tempelshop voor 4000 yen per stuk – het was dus eigenlijk een soort veredelde boeddhistische Japanse Tell Sell. Sommige mensen die na ons binnenkwamen hielden het al na vijf minuten voor gezien, maar wij hebben wonderlijk genoeg het hele stuk uitgezeten (meer uit beleefdheid dan omdat het interessant was…).
Wat ik wel een beetje jammer vind is het gebrek aan ruïnes. Het heeft er natuurlijk mee te maken dat de tempels in kwestie allemaal nog gebruikt worden; ik heb meer dan eens een bruiloft voorbij zien komen terwijl ik op bezoek was. Maar in Italië vind ik het juist zo leuk dat je overal zelf bij kunt bedenken hoe vroeger het dak erop heeft gezeten, hoe er vroeger mensen liepen en hoe het witte marmeren beeld vroeger gekleurd was, en hier in Japan is alles altijd recent gerestaureerd en heeft elk gebouw zijn dak nog. Overigens kijken ze daar hier sowieso anders tegenaan dan in Italië: hier in Japan wordt alles wat stukgaat door een natuurramp gewoon in oude glorie hersteld, en hele tempels werden/worden over honderden kilometers verplaatst omdat iemand denkt dat dat een goed idee is. In Europa moet alles “zoveel mogelijk in originele staat blijven”, en de praktische invulling daarvan is dat geen nieuwe materialen tussen de oude dingen terecht mogen komen. Resultaat: lekker door ruïnes struinen, het enige dat ik tot nu toe in Japan een beetje moet missen qua cultuurdinges…
December 23rd, 2008 at 23:05
De reden dat daar zoveel mensen komen is omdat het mausolea zijn van de eerste paar Tokugawa shoguns. die kat is bijvoorbeeld van de schrijn van Tokugawa Ieyasu, de 1e Tokugawa shogun. In 1 van die 2 boeddhistische tempels ligt de 3e Tokugawa shogun.
En waarom je in Japan geen ruïnes vindt heeft temaken met het boeddhisme. In het boeddhisme gaat men er vanuit dat alles vergankelijk is, en mogen de tempels daarom ook niet van -niet organische- materialen worden gebouwd. Zo krijg je dus dat alle tempels en schrijnen van hout zijn en soms om de zoveel jaar moeten worden herbouwd. (uizonderingen daargelaten, want je hebt ook tempels die er vanaf het begin al zijn, zo rond 700, en niet zijn herbouwd).
Die 2 boeddhsitische tempels in Nikko zijn van rond 770, dus die staan er ook al meer dan 1000 jaar.